60 KM – 120 KM – 4 x 15 KM – Strand – Bos – Duin – Wad – Dijk – Dorp – Berg

Texel 2015

Na 90 kilometer viel voor mij het doek. Het was leeg, vooral in het hoofd gebroken. Een kleine 20 kilometer daarvoor liep ik verkeerd. Als in: niet de juiste route gevolgd. Als een puzzel van 1000 stukjes waarvan de laatste niet blijkt te passen. Foutje van de fabriek. 

Moet ik nog terugkijken naar de race van afgelopen maandag en de teleurstelling alleen maar groter maken? Ik vermoed van wel, anders had ik dit niet geschreven. Waarom? Misschien om het te kunnen accepteren, misschien omdat ik de nasmaak van teleurstelling verdien. Misschien als lamlendig surrogaat voor het afzien in de resterende 30 kilometer die ik niet liep. Het dichtst bij de waarheid is waarschijnlijk dat de teleurstelling die ik voel niet groot genoeg is en wil ik hem op deze manier groter maken. Zelfmedelijden, niks menselijks is een atleet vreemd. Wat ging er mis op Texel? 

Om die vraag te beantwoorden moet ik kort een beeld geven wat er grofweg aan voorbereiding vooraf is (mis)gegaan. De cijfers spreken boekdelen: De laatste drie ultrawedstrijden waar ik gestart ben, ben ik uitgestapt. De eerste was in Stockholm vorig jaar, waar ik de 100km mee zou lopen om mijn pr van 7u22 aan te scherpen. Een dergelijke wedstrijd vereist een vroege inschrijving. Niet alleen om een betaalbaar ticket en overnachting te regelen, maar ook om mentaal op scherp te komen. Eenmaal ingeschreven staat het doel vast: einde van de twijfel, begin van het schema. Helaas liep ik in de aanloop naar het echte trainingswerk een kleine maar hardnekkige blessure op aan een peesaanhechting bij mijn knie. Trainingen vielen in het water, extra rust, oefeningen in de sportschool, meer trainingen overslaan. Leven bij de dag. Welke atleet kent het niet? Al met al afgereisd naar Stockholm (een doel is een doel) met de insteek zo lang mogelijk pijnvrij te lopen. Ik haalde het tot de marathonafstand en stapte met een opgewekt gevoel zonder klachten uit de wedstrijd. Een marathon zonder pijn, niet slecht! Het was ten slotte pas begin augustus. Nog voldoende tijd voor een redelijk fatsoenlijke voorbereiding op het WK100km in Doha eind november. 

Dacht ik. Niet. Dus. 

Na Stockholm kon ik eindelijk weer met een voorzichtig opbouwend schema beginnen. Ondertussen kreeg ik een uitnodiging om in september in Winschoten mee te lopen. De 50km paste mooi in dat nieuwe trainingsschema en ik merkte dat ik de prikkel nodig had. Je kunt niet alleen maar op trainingen teren. Helaas liep het die dag anders. Een paar dagen voor de wedstrijd voelde ik de griep al langzaam opborrelen. Toch gegaan, overnacht bij een veel te aardig gastgezin die ik niet de gezelligheid kon teruggeven die ze verdiende. 400 meter na de start barstte het zweet al uit mijn voorhoofd en na 25 koppige kilometers rillend in een stoel beland. Twee op een rij. 

Na Winschoten viel de volgende pijnlijke beslissing. Ik moest Doha laten schieten. Geen deelname aan het WK100 km waar ik al sinds juli dat jaar ervoor (die 7u22 in Torhout, de B-limiet) zo naar uitkeek. Deelnemen zonder degelijke voorbereiding, aan een WK, onder die omstandigheden, dat zou gegarandeerd uitlopen op een deceptie. Hopelijk begrijpen anderen dat er soms rationeel gezien geen keuze is. 

Eerlijk gezegd voelde de afmelding als een enorme opluchting. Ik besefte toen pas welke druk ik me die hele zomer had opgelegd. Het was heerlijk om weer vrij uit te kunnen trainen. Nu even zonder belangrijk doel. Lekker naar de winter toe trainen, beetje crossen, duurloopjes door het land met rugzak, blessurevrij.. 

Weer een beetje wijzer, wilde ik het beter aanpakken deze winter. Meer doen aan blessurepreventie, doordachte schema’s van Ed met voldoende kwaliteit zonder onnodige risico’s op overbelasting. Ik was kind aan huis bij de sportschool en fysiotherapeuten (ja, meervoud) gaven me met genoegen meer en meer oefeningen voor meer stabiliteit, meer kracht, meer alles.. Ik zou superman worden. Tot er iets knapte in mijn kuit. Geen aanleiding, gewoon ‘tik’, halverwege een doordeweekse training. Terug naar de behandeltafel, meer oefeningen, enkels losmaken, bilspieren trainen, houding in de rug en nek verbeteren, buikspieren. In januari ook naar de podoloog ter controle van de zooltjes en het schoeisel. Daar het dringend advies gekregen één van mijn schoenparen niet meer te gebruiken en dat bleek de gouden tip voor mijn kuit. 

Half januari kon het echte trainen eindelijk beginnen. 8 hele trainingsweken voor Texel. Het is krap, maar het moest kunnen. Een doel is een doel. Ik was belastbaar, het lijf voelde fitter dan lange tijd en de trainingen verliepen makkelijker dan vorig jaar. Het duurvermogen zat er nog. Langzaam nam de weekomvang toe naar 90, 100, 120km.. Er moest meer gebeuren wilde ik in Texel voor een serieuze prestatie gaan. Ik besloot twee weken naar Spanje te gaan. Focussen, leven als een kluizenaar, trainen als een beest. Ed besloot een moordschema mee te geven. “als je dit kan, ben je klaar voor Texel” stond in de begeleidende mail. 

En trainen deed ik. Maakte het beste van een schema dat voor een normale sterveling als mij onmogelijk is. Ik liep tot de benen leeg waren. Over de 400 km, meer dan 10.000 hoogtemeters. Toen was het goed. Ik had gedaan wat ik kon en was er klaar voor. Alleen nog twee weken relatieve rust. Geen gekke dingen meer nu. 

Precies in het midden van de twee weken wordt ik wakker met een volle neus en schrale keel. Klote, niet ziek worden. Niet nu, ik weet dat ik vatbaar ben na al die trainingen, maar het mag niet. Echt niet. Gelukkig, het zet niet door. Alleen het snotteren blijft, dat is niet erg. En snoepjes voor de keel, dan komt alles alsnog goed. Ik weet het zeker. 

Om 4:35 op maandagochtend klinkt in Den Burg de starthoorn in het donker. Mark de Boer is mijn verzorger op de fiets. Ed fietst na een nagenoeg slapeloze nacht ook met me mee. Hoe luxe wil je het hebben? Alles bij de hand, alleen nog maar lopen. Precies op schema, niet harder, niet zachter. Niets aantrekken van Paul Giblin die onnoemlijk hard start. Ik vraag me af hoe je kamikaze zegt in het Engels, kamicheese? 

Gedurende de eerste ronde wissel ik stuivertje met Daniel Oralek. We lopen niet bij elkaar, maar wisselen af. Steeds met minimaal een meter of 20 van elkaar. Alsof de nacht aanzet tot eenzaam lopen. Er staat welgeteld één toeschouwer de hele eerste ronde. Het heeft wel iets zo. De toeschouwer nog een tikkeltje eenzamer dan de deelnemers. Ik loop vlak op tempo 4:30-4:35 per kilometer. De eerste drie uur loop ik bijna 40km in gemiddelden van 13.1, 13.2 en 13.1 km/h. Alles loopt volgens plan, behalve natuurlijk dat dat nooit gebeurt. Het strand ligt er goed bij de eerste ronde, windje mee en De Horst is een peulenschil. Daarom keer ik iets eerder, in 4u35 draai ik bij de veer en weet dat het nu pas gaat beginnen. Ik heb weer zin in het stuk strand. Dat liep zo lekker op de heenweg. Maar nu staat er wind tegen. Meer tegen dan ik straks mee heb gehad bedenk ik me. En dat zijn gedachtes waar ik al van weet waar ze vandaan komen. Vermoeidheid. Het stuk strand is pittig. Ik moet me concentreren op mijn ritme, niet teveel letten op de tijd. Ik heb genoeg speling, juist voor dit deel. Als ik het eerste stuk gehad heb, probeer ik daarna wel te herstellen op het asfalt en extra te eten. Het mag zwaar zijn nu even. Dat geeft niet. Alleen het duurt zo lang. Was dat de heenweg ook? Zo’n lang stuk? Nee, ik moet nu verder doorlopen volgens de beschrijving. Daar ligt het aan. De rest is vermoeidheid. Zoveel langer is het vast niet. Maar toch, volgens mijn horloge loop ik al veel te lang op het strand. Zo langzaam gaat het toch niet? Weer die vermoeidheid. Gewoon doorlopen nu tot dat iemand me van het strand haalt. Niet te ver vooruit kijken, dat demotiveert. Doorlopen, niet denken nu. Gedachten zijn vermoeidheid. 

Ik kom niemand tegen. Ten minste, niet van de organisatie. Niet op het strand. Ik zie eindelijk pijlen. Maar die wijzen de verkeerde kant op. Een grapjas heeft ze verdraaid misschien. Ik loop twijfelend omhoog. Kijk achter me en zie Daniel mij volgen. Misschien is het dan toch goed. Boven bij de duin lopen we na een klein stukje over het schelpenpad tegen de grootste verrassing van de wedstrijd aan: Giblin loopt ons tegemoet. We kijken elkaar verward aan. “We went too far I think” is het enige wat ik kan zeggen. Ik weet dan al wat er loos is en besef ergens in mijn vermoeide lijf al dat dit het is. Alsof mijn lichaam tegen me zegt `loop ik hier de longen uit mijn lijf, lig jij daarboven in die kamer te slapen en niet op te letten! Dan hou ik er ook mee op`. Fuck. Dit is niet goed. Daniel en ik besluiten tegen het parcours in naar de verzorgingspost te lopen. Na een korte stop loopt Daniel weer terug naar het strand: het voordeel van de taal niet spreken. Mijn ouders staan toevallig iets verderop de goede verkeerde kant op te kijken. Ik roep ze en na een vermengde reactie van verbazing en bezorgdheid vertrekken ze om Ed en Mark te waarschuwen dat we al verderop zijn. Iemand van de verzorgingspost belt met de organisatie. Uiteindelijk weet ik niets anders te doen dan een slok cola te pakken en terug te lopen naar het strand. Terug naar het punt waar we eraf zijn gegaan. Ik loop het strand weer op, voel de tegenwind weer en kan Daniel dan al bijna niet meer herkennen in de verte. Het moraal is tot een dieptepunt gezonken. 

Hoe heeft dit kunnen gebeuren? Er had toch iemand moeten staan? Dat was op de heenweg ook. Of op zijn minst van die grote pijlen. Giblin liep wel goed. Kende hij de route beter? Heb ik teveel vertrouwd op aanwijzingen van de organisatie? Ik weet het niet, het doet er nu niet toe. Ik loop op een laag tempo door naar het einde van het tweede stranddeel. Na bijna 20km nagenoeg zonder verzorging over het strand te hebben gelopen zie ik daar Ed boven op de duin staan en Mark met de verzorgingsfiets. Wat valt er te zeggen of te doen op zo´n moment, anders dan mechanisch proberen te eten en te drinken en berustend de duin af te wandelen. We proberen het nog één keer. Kijken of de motor nog aan de praat raakt. Een doel is een doel. 120 km op Texel moet lukken. Ik ben het verplicht aan iedereen die op zijn of haar manier heeft bijgedragen dat ik hier nu loop. 

Bij 90 kilometer valt het doek. De geest is verdwenen. Ik ben niet eens echt boos, of teleurgesteld. Heb ik nu gefaald? Ik had de mentaliteit niet meer om door te lopen zoals Daniel wel deed. Was een tijd in de buurt van het parcoursrecord sowieso niet veel te ambitieus? Naarmate ik meer naar Texel toe trainde begon ik meer respect te krijgen voor die tijd. 9u23 op dit parcours, ai, dat is heel hard. Dan moest er ook echt niks fout gaan. Alleen ging er wel wat fout. En daardoor sta ik niet in de uitslagen van de 120km van Texel, laat staan op het podium. Geen oogst deze keer. Alleen weer een harde les. Nummer zoveel. Slikken en weer doorgaan. 


Pieter Mans 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Foto’s 2017
Menu Categories
Archief
Facebook De Zestig van Texel