De 60 km start over

Zoeken

De gereformeerde rekenaar

De gereformeerde rekenaar

door Dirk Westerduin
Ik trek de peuk uit zijn mond. Ik neem een hijs, en nog een. Dan reageer ik: "Goh, zegt hij dat." Ik geef de peuk terug en lees het artikel dat de man als begroeting onder mijn neus houdt. Volgens hem vindt Neerlands beste ultraloper, Ron Teunisse, het een totale afgang als ik de volgende dag zijn record op twee rondjes Texel niet breek. Ik maak dat niet een, twee, drie op uit het verhaal, maar de toon is gezet.
Het kan er nog wel bij. Op de Afsluitdijk, richting Texel, heb ik een paar uur eerder knallende ruzie met Stein, mijn trainer. Hij dramt over mijn trainingsmaat, bralt dat hij een topatleet is, die allang het Nederlands record op de 100 km had verbeterd als hij naar hem had geluisterd. Na tien minuten word ik giftig. ‘Jij godverdommese klootzak, ik heb me doodgetraind om die 120 kilometer een beetje christelijk af te werken morgen, ga je zitten jeremiëren over die Edward! Edward interesseert me nu even geen donder, ik loop die race godverdomme morgen sneller dan wie ook!' Ik timmer de knokkels van mijn vuist tegen de voorruit: ‘De-rest-inte-res-seert-me niet! Ook al valt er iemand dood neer op het parcours, ik stap over 'm heen en ik loop door!' ‘Dirk, wees eens redelijk...,' begint hij weer: ‘....je moet toegeven dat Edward...' Ik breek hem abrupt af: ‘Houd godverdomme je smoel!' De stilte die valt, is niet eens pijnlijk: we zijn gewend aan dit soort maniakale dialogen.

Martien Baars, de man-met-peuk, geeft me m'n startnummer en we vertrekken. Stein probeert me rustig te krijgen: ‘Dirk, luister,' begint hij met zijn Duits accent: ‘Laat je niet opfokken, je hebt hier lang naartoe gewerkt, de training klopt als een bus, het komt allemaal goed!'  ‘Moet jij zeggen,' rakel ik op: ‘Lekkere trainer ben jij. Je bent geen haar beter dan die Baars. In de auto had ik met jou gelazer, nu word ik hier getrakteerd met een fijne ontvangst. Lekkere voorbereiding.'

De ontvangst op Texel is het zoveelste obstakel in mijn voorbereiding. De maanden voor de wedstrijd maakte ik zelfs ruzie met de wedstrijdorganisator. Die was niet bereid helpers op een tijdschema van rond de 9 uur en 30 minuten langs de kant te zetten, om zo de eerste hardlopers van dienst te kunnen zijn en de weg te kunnen wijzen.  ‘Je mag blij zijn als jij die 120 kilometer in tien uur loopt,' zei Baars, ‘Sneller dan het record van die Teunisse loop je toch niet, dat is een wereldtopper.' Ik antwoordde dat ik respect had voor de 9 uur en 47 minuten van Ron Teunisse, maar dat ik niet uitsloot dat ik sneller zou kunnen lopen. Wat consequenties zou hebben, want als de eerste loper op cruciale punten vroeger verschijnt dan verwacht en er geen mensen van de organisatie langs de kant staan, is er het risico dat die loper fout loopt. En fout lopen, na maanden voorbereiding, is een gruwel. In elk geval heb ik mijn best gedaan, we zullen zien, ik loop morgen die wedstrijd zo hard mogelijk.
Ik grinnik. ‘Wat ging er door je heen,' vragen journalisten dan na afloop, en moet je er als de kippen bij zijn om een zwaar semi-filosofisch verhaal te gaan ophangen. Vaak begint een ultraloper dan een partij esoterisch te ouwehoeren, godallemachtig, de Dalai Lama, Jomanda, de Baghwan, of weet ik veel welke neef er in kleermakerszit een halve meter boven een tapijt hangt, zijn er niks bij. Pikant detail is dat ik officieel te boek sta als 'doctorandus filosofie'; ik studeerde af in 1993. Volgens mij heb ik voornamelijk geleerd wat het verschil tussen geouwehoer en een autenthieke redenering is. Ik train om in een wedstrijd zo snel mogelijk van A naar B te kunnen lopen, de rest is lou loene!

Ik kan niet tegen gezweef of geouwehoer. Dat hardlopers langer of beter leven dan niet-hardlopers is ook lariekoek. Als je drie of vier keer in de week een stukje trimt, zal dat wel kloppen. In een Nederlands hardloopmagazine, een soort huishoudboekje voor trimmend Nederland, zie je dan een jonge meid in een soort konijnenpakje door de duinen dartelen onder de kop: 'Hardlopen bewezen gezond'. Maar de manier waarop ik, anno 1997, bezig ben, brengt mij wellicht bij een snelle 120 kilometer op Texel, je maakt mij echter niet wijs dat die training gezond is. Ze zeggen ook dat hardlopen goed is tegen psychische problemen. Hier geldt hetzelfde: als je het gematigd doet. Ik ken veel goeie hardlopers die van hun leven een sociale puinhoop hebben gemaakt, ze zijn bijvoorbeeld gescheiden, omdat ze hardlopen kennelijk lieten prevaleren boven een harmonisch leven thuis. Is dat psychisch gezond? Ik beschouw de manier waarop ik aan ultralopen doe in elk geval als topsport. Dat is belastend, zowel psychisch als lichamelijk. Realiter houd ik voor ogen dat de manier waarop ik met dat lopen bezig ben niet probleemoplossend is, maar problemen creëert: je sociaal leven staat op niveau 'nihil'. Daarom vraag ik me af of ik dat ultralopen lang volhoud.
Tegen een uur of tien 's avonds, op weg naar ons hotel, zet Stein de auto langs de kant. We staan buiten en kijken naar de komeet Hale-Bopp, die zich helder aftekent tegen een immens donkere achtergrond. ‘Ik voel dat het een mooie dag wordt morgen, Dirk,' zegt Stein. ‘Drinken we het af?', vraag ik. Hij staart voor zich uit. ‘Eentje dan,' fluistert hij. In de kroeg  luisteren we naar Kiss and say Goodbeye van de Manhattans. ‘I'm gonna meet you here today,' zing ik met een kopstem. De barman wordt enthousiast: ‘Zo. Kom jij optreden morgen?' ‘Nee,' zegt Stein, ‘Hij loopt morgen twee rondjes Texel, de start is om half vijf.' Na een flinke pul bier en voor mij als extraatje een halve peuk gaan we ontspannen hotelwaarts.

Ik ben nogal in mijn nopjes, want ik sta midden in de nacht behoorlijk fit op. Ik had mezelf verteld dat ik de nacht vóór de wedstrijd toch niet zou slapen, vooral vanwege het vroege tijdstip van de start. Als je er rekening mee houdt dat je toch niet slaapt, is de kans groot dat je wel slaapt: aanvaarding van de realiteit ontspant een mens. Wie in het holst van de nacht verre van ontspannen is, is Stein. Zenuwachtig is hij met tabellen en tijdschema's in de weer. Ik trek me niets van hem aan: wie loopt er hier een wedstrijd? Geheel in mezelf opgesloten constateer ik dat ik op dit vroege tijdstip al voor de tweede keer geluk heb: eerst stapte ik met mijn goede been uit bed, nu draaien ze soulmuziek op de radio. Toevallig is soulmuziek voor mij altijd enorm stimulerend tijdens zware trainingen. Het gaat dus goed komen, ik voel het: de ellende van gisteren wordt de jolijt van vandaag. 'Yin en yang' zullen ultralopers dat wel noemen. Ze hebben het ook vaak over 'buiten jezelf treden' als je maar lang genoeg loopt. Ik gniffel: met Heaven must be missin' an angel op de walkman stel ik me voor hoe hier, op de hotelkamer, mijn geest zich al los maakt van mijn lichaam. Runners high? Reken erop dat die Stein high wordt als mijn bewustzijn ergens onder het plafond hangt terwijl mijn lijf als wassen beeld van Madame Tussaud in een hoek staat.

Dan de realiteit, om halfvijf: een aantal lopers hijgt behoorlijk, vlak na het startschot. Ik kijk verbaasd om me heen en verlies elke meter terrein. Ik loop ongeveer twaalf kilometer per uur, de rest zeker veertien. Zelf ben ik van plan pas later in de wedstrijd harder te lopen. Na vijf kilometer loop ik al een paar minuten achter een onregelmatig lopend en vrolijk keuvelend gezelschap, de grappen en grollen krijg ik in flarden door de heldere vrieskou op me af. ‘Die gekken lopen zichzelf helemaal naar de sodemieter,' zeg ik tegen mijn begeleider, een Texelse boer-op-mountainbike. ‘Nou, jij bent wel erg precies, hoor,' zegt hij: ‘Ik heb in het verleden iemand als Jan Knippenberg begeleid, maar die maakte het niet uit hoe hard hij exact liep in het begin. Bovendien deed hij ook niet zo moeilijk over zijn drank.' Dat is tegen het zere been. ‘Ik doe niet moeilijk,' bijt ik mijn begeleider toe. ‘Dit is de enige manier waarop je een ultrawedstrijd snel kunt lopen. Ik zeg het je, jongen, elke twintig minuten wil ik een bidon, over exact veertien minuten verwacht ik dus mijn tweede.' Ja, Knippenberg. Eerverleden jaar overleed hij aan kanker, dat is natuurlijk heel erg. Hoogstwaarschijnlijk door zijn dood is hij zo'n beetje de goeroe van ultralopend Nederland. Zijn boek De mens als duurloper wordt door het gros zonder blikken of blozen als 'de bijbel' geduid. Dat zie je wel vaker: wanneer een bekende persoon overlijdt, krijg je een bepaalde groepshysterie. Nou, bijbel of niet, wat wedstrijden lopen betreft zat die Knip er dus mooi naast. Eigenlijk kan ik dat niet hardop zeggen, zoals je bij zwaar gereformeerden ook niet kunt vloeken in de kerk. Je bestempelt jezelf zo, in die kleine gemeenschap, als persona non grata.

Op het vijftien kilometerpunt loop ik ongeveer zeven minuten achter de kopgroep. Normaliter is dat een enorm gat, maar ik ben ervan overtuigd dat die kopgroep erg veel weg heeft van een kudde runderen. Het zou me niet verbazen als ze zich onwillekeurig omdraaiden en me keuvelend tegemoet zouden lopen.
Nadat ik vijf keer op exact het juiste moment (ik houd het bij op mijn horloge) een halve bidon met vloeibaar voedsel naar binnen heb gewerkt, nader ik de kopgroep. Die is stiller dan twee uur geleden. ‘Jammer dat ik ze nou al inhaal. Nou heb ik niemand meer voor me,' chagrijn ik tegen mijn begeleider. Een koploper laat zich even zakken en merkt op dat ik te langzaam loop. ‘Je komt zo amper onder de tien uur,' zegt hij. ‘Ik zie aan m'n hartslag dat we niet harder dan twaalf per uur lopen.' Ik zeg: ‘Jij loopt nu misschien twaalf per uur, maar ik niet. Jullie zakken in, ik ben net iets gaan versnellen. Bovendien probeer ik het beste voor het einde te bewaren.'  Du moment dat ik het uitspreek, besef ik dat ik niet voor interessante conversaties naar Texel ben gekomen. Ik besluit vanaf nu m'n mond te houden. De loper praat verder, met een kort gebaar kap ik hem af en kijk strak voor me uit, volledig in mezelf gekeerd: met een analytisch fileermes tast ik mijn mogelijkheden af. Ik probeer zo getrouw mogelijk aan de werkelijkheid te beantwoorden en mezelf in staat te stellen om de grenzen van die realiteit op te zoeken. De afstand mag ik dan op zich niet zo lang vinden, het blijft natuurlijk een pittige bezigheid als je 120 kilometer zo hard mogelijk wilt lopen.
Dat geldt natuurlijk voor bijna elke afstand. Waar ik me blauw aan erger, is de aureool van uitzonderlijkheid dat veel Nederlandse ultralopers graag boven hun hoofd zien hangen, omdat ze in wedstrijden langer lopen dan andere atleten. Een gek zei zelfs dat hij een marathon, 42 kilometer hardlopen, beschouwt als 'de hond even uitlaten'. Belachelijk. Het is voor die man moeilijker om een marathon in 2.40 te lopen dan een 100 kilometer in acht uur. Zo is het voor mij moeilijker om een marathon binnen de 2.30 te lopen dan deze 120 kilometer binnen de, pak 'm beet, 9.30. Ik hoop dat ik dat haal. Ruim twee maanden geleden liep ik de marathon van Apeldoorn weliswaar als training in 2.37, maar dat wil niet zeggen dat de marathon een peulenschil is. Op die manier kan een tien kilometer in 27 minuten blank voor een topatleet zwaarder zijn dan een marathon in 2.08, als hij beide afstanden onder gelijke omstandigheden loopt. Ãœberhaupt een ultralange afstand uitlopen is veel minder een kunst dan die zo hard mogelijk lopen; dat geldt voor alle afstanden.

Op het strand ben ik alleen met een andere loper, die van de hartslag, Wim-Bart Knol is zijn naam. We draaien het strand op via een soort verharde strandopgang, en een mulle strook naar beneden. Ik besef dat ik zo'n mulle strook later in de wedstrijd meerdere keren omhoog moet nemen, telkens zo'n driehonderd meter, terwijl je wegslipt en aardig moe bent, want de kilometers lopen ook op. We hebben een briesje tegen. ‘Om de beurt op kop lopen,' zeg ik tegen Knol, ‘Tot de volgende strandopgang.'
We nemen het mulle zand omhoog en naderen het zogeheten barbequeveld, een grasveld op het 45-kilometerpunt. Stein zit in zijn auto en draait zijn raam open: ‘Dirk, dit gaat veel te snel, je knalt zo gigantisch in elkaar.' Hij bedoelt dat ik me te veel op Wim-Bart Knol richt. Die loopt zeer onregelmatig. Bedaard draait Stein zijn raampje weer dicht, hij wil me met deze mededeling alleen laten, om me goed te laten beseffen hoe stom ik wel niet bezig ben. Ik pik dat niet. Woedend maak ik een draaigebaar, hij draait zijn raam weer open; ‘Jij klootzak,' brul ik, ‘Ik loop hier een wedstrijd van 120 kilometer, en jij vertelt me na 45 kilometer al dat ik in mekaar ga knallen. Welke trainer doet er nou zoiets! Godverdomme nog aan toe!' Stein zegt niets en gebaart met vlakke hand naar een weer versnellende Knol. Ik laat hem gaan.

Bij het keerpunt loopt Knol twee minuten voor me uit. Ik passeer het zestig-kilometerpunt in vier uur en 47 minuten. Stein staat langs de kant en maant me tot rust als Wim Epskamp, een ronduit uitmuntende ultraloper, me passeert, ik loop nu op de derde plaats: ‘Rustig blijven, Dirk, hij loopt veel te hard, loop het gat langzaam dicht!' Die opmerking is net zo simpel en geniaal als Steins eenvoudige handgebaar op het 45 kilometerpunt: als ik nu, halverwege, anderhalve kilometer per uur harder ga lopen, betaal ik daar later voor. Terug op het strand tel ik de afstand tussen Epskamp en mij. Knol zijn we inmiddels kwijt. Epskamp loopt ter hoogte van een zandhoop, ik kijk op m'n horloge, als ik bij dezelfde zandhoop ben zijn er 45 seconden voorbij. Epskamp loopt bij een paaltje, ik meet de tijd weer, 42 seconden later ben ik op dezelfde hoogte. Zo haal ik, stap voor stap, mijn achterstand in. Ik voel me opgelucht: eindelijk gaat de wedstrijd beginnen, we naderen weliswaar nog niet het moment suprême, maar het is nu wel een kwestie van momentum creëren, na zo'n zeventig kilometer: de wedstrijdmentaliteit die ik nu mag hanteren moet ik de volgende vijftig kilometer vasthouden.

Bij de eerste strandopgang op de terugweg merk ik dat ik makkelijker omhoogloop dan Epskamp. Maar als we op het vlakke lopen, bevindt hij zich in een oogwenk vijftig meter voor me. Ik moet naar het toilet, maar neem niet eens de moeite om het bovenste gedeelte van mijn strakke legging naar beneden te doen, ik laat mijn urine lopen. Daar heb ik me op voorbereid. Mijn kruis, de binnenkant van mijn benen en mijn voeten heb ik volledig met vaseline ingesmeerd, ook draag ik geen onderbroek. Zo kan ik doorlopen tijdens mijn pissen zonder dat de urine mijn huid opentrekt. Als ik langs de kant ga staan, betekent dat niet alleen tijdverlies, maar ook ritmeverstoring desastreus in deze fase van de wedstrijd.

Ik ben continu bezig niet alleen mijn uitermate getrainde lijf, maar ook mijn hoofd te gebruiken: wat is het ideale tempo, wanneer mag ik harder lopen, tot wanneer moet ik mijn reserves bewaren, in hoeverre moet ik gas terug nemen op het strand, want dat loopt zwaarder, loop ik niet te hard, oh God, ik moet in de gaten houden dat ik over vijf minuten mijn bidon weer moet hebben. Het blijft wikken en wegen. Godsamme, als ze mijn hoofd nu zouden scannen met een computer, dan zou de grafiek een berglandschap vertonen met ettelijke pieken. Is het goed om een ultrawedstrijd zo te lopen? Ik weet het niet, ik doe het zo. Mijn trainingsmaten noemen me gereformeerde rekenaar.
Twintig kilometer verder hoef ik enkel een consequentie te trekken, mijn momentum indachtig: Epskamp staat plotseling stil, hij moet plassen. Razendsnel maak ik een berekening: hij staat stil, en kan niet anders dan uit zijn ritme raken. Ik ben bekaf, hij is dat ook. Neem ik risico als ik versnel? Dit is wel een uitgelezen moment. Ik denk verder niet na en versnel abrupt van twaalfeneenhalve kilometer per uur naar vijftien per uur. Binnen een paar minuten loop ik honderden meters voor Epskamp uit. Om de minuut vraag ik mijn Canadese begeleider (hij verving de Texelse boer na zestig kilometer) of ik mijn afstand vergroot. Plotseling gelast ik mijn begeleider niet meer om te kijken, ik wil me voorlopig enkel concentreren op wat er voor me is. Na 95 kilometer zie ik Stein en mijn broer Rein op een verhoging staan, ik houd hun blikken nauwlettend in de gaten: fixeren ze zich alleen op mij, dan loopt er niemand achter me; kijken ze over mijn hoofd heen, dan loopt Epskamp daar ergens.
Ze fixeren zich alleen op mij.

Ik loop plotseling op een lang recht stuk met een aardige wind tegen en trek zo hard mogelijk door. Na 105 kilometer begin ik de tol voor mijn beulswerk te betalen: ondanks de straffe wind heb ik de laatste 15 kilometer binnen een uur afgelegd. Bij een afslag weet ik niet of ik nu rechtdoor langs de dijk moet lopen, of moet afslaan. Er staat geen hond langs de kant, laat staan iemand van de wedstrijdorganisatie. ‘Godverdomme! Stelletje klootzakken!', brul ik. Ik loop een stuk rechtdoor, maar de Canadees gebaart dat we naar rechts moeten. Plotseling komen twee fietsers achter ons aan. Ze zeggen dat ze van de organisatie zijn en dat ik toch echt fout loop. Er ontstaat een discussie tussen mijn begeleider en de twee mannen op de fiets. Mijn begeleider zegt dat hij zeker weet dat ik goed loop, hij heeft de route bestudeerd. Ik vervloek Martien Baars. Hoe vaak heb ik hem niet verteld dat de kans bestond dat ik sneller zou lopen dan een schema van tien uur? Hoe vaak heb ik hem hierover gebeld, en hoe vaak heeft hij me uitgelachen? In mijn woede versnel ik weer. We maken een lus door een dorp, en gaan dan weer richting de dijk langs de Waddenzee.  Ik zie Stein en m'n broer Rein weer langs de kant staan, Rein schreeuwt: ‘Ik dacht dat je verkeerd gelopen was, man!' ‘Ja, bijna wel,' zeg ik. ‘Idioten!'

Na 110 kilometer kijk ik angstvallig om. Het is doodstil, ik hoor alleen de wind. Voordat ik een bocht naar links omsla en het achterland niet meer kan verkennen, probeer ik Epskamp te ontwaren, maar ik zie hem niet. Verdomd, dan moet hij misschien wel meer dan 10 minuten achter me zitten. ‘Mag ik je wat vragen?', vraag ik mijn Canadese begeleider ineens zeer beleefd: ‘Rook jij?' Na zijn bevestigend antwoord vraag ik: ‘Mag ik een sigaret na de wedstrijd? Ik bedoel: dat zou wel lekker wezen.' Ik wacht zijn antwoord niet af en concentreer me verder.  We gaan een vissersdorp door, langs de Waddenzee. Dan slaan we af richting de wielerbaan waar we vanochtend vroeg zijn gestart. Op 115 kilometer staan m'n zus, m'n schoonzus, m'n zwager, m'n broer Rein en Stein. Man, een complete familie. Verderop staat een busje, dat even op me wacht en zich dan langzaam op gang trekt. Als ik langszij kom, zie ik een stuk of zes, zeven mensen die mij nauwlettend observeren. Ze wenden hun hoofd niet af en blijven naar me kijken. Plotseling pakt een van hen een camera, draait een raampje open en begint me te fotograferen. Het felle, kittige geluid van de automatisch klikkende camera echoot sterk in mijn hoofd, ik hoor verder niets. We gaan langzaam omhoog, iets naar beneden, dan is het weer vlak. Het busje met observanten is nog steeds naast me, we naderen de wielerbaan. Dan maakt het busje plaats voor de auto van Stein. Op zo'n zeshonderd meter voor het einde komt Stein me tegemoet, hij heeft zijn auto bij de finish geparkeerd.   Ik versnel abrupt: ‘Kijken of ik Epskamp in de sprint had kunnen verslaan,' zeg ik. Eigenlijk analyseer ik de wedstrijd al terwijl die nog niet afgelopen is: 'wat-als'. Dat is alleen de echt bevlogenen, noem het maniakken, gegeven. De schakers Kasparov en Karpov deden zoiets ook, maar hun wedstrijd was net afgelopen. Ik zie nog die drukke gesticulaties van beiden, en hun vingers razendsnel over de schaakstukken gaan, terwijl ze geen oog hadden voor de wereld om hen heen, die een eerste reactie na de wedstrijd wilde.

Ik finish na 9 uur, 23 minuten en 30 seconden, 24 minuten onder het parcoursrecord van Ron Teunisse. De tweede helft van de wedstrijd heb ik 9 minuten sneller gelopen dan de eerste helft, in 4 uur en 36 minuten, in vaktermen noemen ze dat een negative split.  Ik vind dat prachtig, want het gaat er niet alleen om of je de wedstrijd wint. Hoe je hem loopt, vind ik even belangrijk. Tijdens mijn filosofiestudie kregen we bonuspunten als we een logisch probleem elegant hadden opgelost. Het ging onze hoogleraar niet alleen om de oplossing, maar ook om de manier waarop wij die tot stand brachten. Parallel hieraan vind ik, zonder egotripperij, dat mijn gelopen 120 kilometer race de schoonheidsprijs verdient. Helaas delen ze die niet uit.
‘Zo, effe zitten. Dat heb ik nou wel verdiend, dacht ik,' zeg ik tegen omstanders. Voordat ik m'n benen rust wil geven, pakt een wildvreemde vrouw me zeer innig vast. Ze blijkt van de organisatie te zijn: ‘Weet je zeker dat je je goed voelt?' ‘Nou ja, als ik effe op het gras mag, zal dat wel gaan.' Ze geeft toestemming. Ik lig languit en steun op mijn linkerelleboog. M'n begeleider komt me een sigaret brengen, ik inhaleer en kan me niet herinneren dat ik ooit zo lekker in het gras heb gelegen. Twee mannen uit het busje komen bij me staan, ze willen me ieder apart spreken, als vertegenwoordigers van een landelijke krant en een hardloopblad. ‘Niet schrijven dat ik hier zit te roken, hoor,' kreun ik angstvallig. Ze lachen en lopen weg.

‘Relativeren is dodelijk,' zeg ik tegen de verslaggever van Runner's. We zitten op de tribune van de sporthal en ik probeer hem uit te leggen hoe je zo'n ultralange afstand loopt. Hij houdt een soort dictafoon onder m'n neus terwijl ik praat. Halverwege ons gesprek zien we Epskamp beneden de sportzaal binnenkomen. ‘Mozes, die zat echt meer dan tien minuten achter me,' vertel ik de verslaggever. Epskamp heeft me gezien en knijpt zijn handen samen, hij feliciteert me. Naderhand blijkt dat hij wel een stuk doorgelopen is, op het punt waar ik alles en iedereen vervloekte. Ik hoor echter geen klacht over zijn lippen komen. Wat een aardige man, veel te aardig.
Gezeten achter een pot bier praat ik in de kantine met een journalist van de Volkskrant, Rolf Bos. Hij vuurt gejaagd de ene na de andere vraag op me af. Daarbij kijkt hij me strak aan, voor zover dat mogelijk is, want ik heb mijn retro zonnebril nog op. Ondanks het feit dat hij voor een landelijke krant werkt, is hij echt geïnteresseerd. Bos stelt geen vragen als: ‘Wat ging er door je heen,' of: ‘Hoe gek moet je hiervoor zijn?', maar wil gewoon, sec, het wedstrijdverloop op zijn bord.  Plotseling worden we onderbroken door Martien Baars: ‘Zeg Dirk, volgens mij ben jij fout gelopen, op dat punt waar Epskamp ook fout liep. Rechtdoor lopen is een stuk korter, vandaar dat je zo'n snelle tijd liep. Ik heb al met Wim Bart Knol overlegd, we waren het er over eens dat een tijd van rond de 9:30 wel goed zou zijn, dan heb je nog steeds een supertijd.' Ik ontplof: ‘Waar is mijn begeleider?' Baars vertelt dat die al naar huis is. ‘Bel 'm!', snauw ik: ‘Ik ben wel goedgelopen! Schandalig! Hoe vaak heb ik je voor deze toestand gewaarschuwd?' Baars druipt af, terwijl ik mijn tirade tegen de journalist vervolg: ‘Welkom in de ultrasport! Ik ben nog geen jaar serieus bezig met ultralopen, steek mijn ziel en mijn zaligheid erin, krijg ik zulke lulligheden op mijn bord! Terwijl ik ze aan alle kanten gewaarschuwd heb! Weet je wat ze deden? Ze lachten me uit! En dan nou zeggen dat ik verkeerd gelopen ben! Man, dat is het ergste dat je kan overkomen, ik heb me de pleuris getraind!' Bos kijkt, en schrijft. Ik wijs naar zijn notitieboek: ‘En dan nog wat! Overlegt hij met een mede-atleet! Die heeft er niks mee te maken! Maak jij dat wel eens mee bij een marathon ofzo?'
Bruusk loop ik de trap af, naar het hok waar Baars zit te bellen. Een paar man staan om hem heen. Ik loop naar binnen, en zie er waarschijnlijk uit of ik de zaak kom verbouwen, want ze wijken terug. Baars legt neer en kijkt me aan: ‘Dirk, sorry, je hebt gelijk. Je bent wel goed gelopen. Die tijd blijft staan.' Ik zet mijn handen in m'n zij en schud m'n hoofd: ‘Sjongejongejongejonge!' Ik zeg verder niets meer en loop weg.
De volgende dag lees ik in de Volkskrant: 'Een dubbele ronde van Texel, nu neemt de filosoof wat rust.' Baars belt me een uur later en zegt dat hij 'erg blij' met mij is. Geestelijk ben ik totaal naar de filistijnen, de eerste maand kan ik niet eens naar een achterlijk programma op tv kijken. Ook word ik nerveus als het ergens te druk is, in een bepaalde ruimte of op straat. Ultralopen doe je voornamelijk met je hoofd, dat wil ik wel toegeven, maar ik heb te veel aan dat hoofd gehad.

©  42         Literair hardlooptijdschrift 42, nr 3, 2006, p. 30 - 39

Met dank aan de auteur Dirk Westerduin en aan hoofdredacteur Kees Kooman voor hun toestemming om onderstaand hoofdstuk uit ‘42'op de website van De Zestig van Texel te mogen reproduceren